URI:
   DIR Return Create A Forum - Home
       ---------------------------------------------------------
       ZenAudio Forum
  HTML https://zenaudio.createaforum.com
       ---------------------------------------------------------
       *****************************************************
   DIR Return to: Versterkers en receivers
       *****************************************************
       #Post#: 5--------------------------------------------------
       Hoe kies je een versterker?
   DIR By: BlackMonk
       Date: August 30, 2015, 8:45 am
       ---------------------------------------------------------
       HOE KIES JE EEN VERSTERKER?
       
       [*] Bepaal welk vermogen je minimaal nodig hebt en elimineer
       alle toestellen die daaraan niet voldoen.
       [*] Een versterker hoort een zeer lage vervorming te hebben en
       een groot frequentiebereik op dat maximumvermogen, plus de
       laagste impedantie van je luidsprekers te ondersteunen.
       Uiteraard mag er geen enkel stoorgeluid (ruis, brom, ...) te
       horen zijn, ook met het volume op maximum gedraaid. En als je
       luidsprekers grote impedantiewisselingen of faseverdraaiingen
       veroorzaken, moet je versterker dat ook ondersteunen.
       Versterkers die hieraan niet voldoen elimineer je.
       [*] Haal alle overblijvende versterkers die je bevallen in huis
       en beluister ze. Kies er dan de meest muzikale uit. Muzikaliteit
       is niet in cijfers te gieten en hangt af van je smaak.
       
       Welke versterkervermogen je nodig hebt, hangt af van je
       luidsprekers en je luisterruimte.
       Luidsprekers hebben een aantal specificaties. De fabrikant geeft
       deze op op de website of in een document. Voor de berekening van
       het versterkervermogen heb je alvast twee gegevens nodig uit die
       luidsprekerspecificaties: de gevoeligheid en de
       minimumimpedantie.
       De gevoeligheid is de geluidsdruk die de luidspreker produceert
       met 2,83 V (of 1 Watt bij 8 Ohm) op zijn ingang en gemeten op 1
       m afstand. Een B&W 683 vloerstaander heeft bijvoorbeeld een
       opgegeven gevoeligheid van 90 dB bij een ingangssignaal van 2,83
       V en 1 m afstand.
       De minimumimpedantie is de laagste wisselstroomweerstand die
       voorkomt bij een bepaalde frequentie. Dat gegeven kan even
       zoeken zijn, want veel luidsprekerfabrikanten geven een
       gemiddelde impedantie op en verder niks. Zoals je wellicht weet
       kun je perfect verdrinken in water van gemiddeld één meter diep.
       We moeten dus echt de minimumimpedantie weten. Bij de eerder
       genoemde B&W 683 is dat 4 Ohm. Als de fabrikant niks opgeeft en
       je kunt het ook nergens anders vinden, neem dan voor de
       veiligheid de helft van de gemiddelde impedantie als minimum.
       Hoe groter de luisterruimte, hoe meer vermogen je gaat nodig
       hebben. Dat spreekt vanzelf. Voor de berekening van het
       versterkervermogen hebben we maar twee parameters nodig: de
       luisterafstand en de gewenste geluidsdruk op die afstand.
       De meeste mensen luisteren op ca 2 tot 4 meter afstand van de
       luidsprekers. Grotere afstanden zijn natuurlijk ook mogelijk.
       Vergeet niet dat je best een gelijkzijdige driehoek maakt met de
       luidsprekers en je luisterplaats voor het beste stereobeeld!
       Er is een vrij ingewikkelde formule waarmee je kunt berekenen
       wat het maximaal continu vereiste vermogen is als je de vier
       parameters hierboven vermeld opgeeft.
       P = 8/Z∙10(L-S+20∙log D)/10
       met
       Z = minimumimpedantie van de luidspreker in Ω (Ohm)
       S = gevoeligheid luidspreker in dB / 2,83 V / 1 m
       D = luisterafstand in m
       L = gewenste geluidsdruk op luisterafstand in dB
       dan geeft
       P = het vereist vermogen in W
       De formule leggen we verderop in detail uit. Je kunt ook deze
       spreadsheet
  HTML http://www.vanwesten.net/audio/vereistvermogen.xls
       invullen.
       Welke geluidsdruk moet je hebben?
       
       We proberen een begroting van vermogen te maken, dus meer dan we
       eigenlijk nodig hebben. Versterkers hebben een piekvermogen dat
       meestal het dubbel van het continuvermogen is. Dat piekvermogen
       kan echter vaak maar enkele seconden volgehouden worden. Wat als
       een piek langer duurt? We pikken even een term uit de klassieke
       muziek en noemen een piek die meerdere seconden tot meerdere
       minuten kan aanhouden een crescendo. Klassieke muziek (en ook
       soundtracks van films) kan langdurige stille passages hebben en
       dan plots uitbarsten in zo'n crescendo. Als je het volume
       gekozen had om die stille passages goed te kunnen horen, zou je
       wel eens onaangenaam verrast kunnen worden door zo'n crescendo.
       Onder meer omdat je versterker dan gaat vervormen als hij het
       niet aankan. Bij metingen die verschillende mensen (waaronder
       ikzelf) uitgevoerd hebben blijkt, dat bij vrij luid spelen je al
       gauw boven de 80 dB(C) gemiddelde geluidsdruk zit. Bij muziek
       met veel dynamiek maten we crescendo's van wel 102 tot 103 dB(C)
       op de luisterplaats. Om nog wat marge te hebben ronden we dat af
       naar 105 dB(C). Dat is dus zeker niet iets waar we voortdurend
       naar gaan luisteren (dat zou tot gehoorbeschadiging leiden!),
       maar het kan wel voorkomen in een duur van ettelijke seconden
       tot ruim een minuut. Voor zoiets kun je dus niet vertrouwen op
       het piekvermogen van je versterker, vermits die dat hooguit maar
       een paar seconden kan volhouden. In die crescendometing van 105
       dB(C) op de luisterplaats zit de bijdrage van de tweede
       luidspreker in een stereosysteem (dat voegt 3 dB toe) en ook de
       bijdrage van de kamerakoestiek (nog eens 3 dB toevoegen). Die
       twee bijdragen moeten we er nu voor onze berekening van af
       trekken, want voor deze 6 dB moeten we immers geen vermogen
       leveren. Als het om muziek gaat die geen sterk geprononceerd
       centrum heeft (klassieke muziek zonder solist, instrumentale
       muziek, jazz met wisselende solisten, noem maar op) dan valt de
       bijdrage van die tweede luidspreker af en moet je geen 6 maar
       slechts 3 dB aftrekken. Voor deze berekening doen we het wel,
       maar afhankelijk van je muziekkeuze kun je 3 dB extra in
       rekening brengen. Let wel: dit verdubbelt het benodigde
       vermogen!
       
       Dus 105 - 3 -3 = 99 dB. Dit getal vul je best in in de tabel of
       de formule voor 'gewenste geluidsdruk' om de net genoemde
       redenen. Daar luisteren we zeker niet langdurig naar, maar onze
       versterker moet die crescendo's van 99 dB(C) wel aankunnen. Dan
       zal hij ons niet teleurstellen met zijn vermogen. Als je nooit
       aan dat soort volume komt en nooit een feestje bouwt waarop je
       versterker en luidsprekers moeten spelen, kun je hier ook 94 of
       95 dB(C) kiezen. Als je echt zeker wil zijn, neem dan 99 dB. Ga
       zeker niet lager dan 94 dB, want daaronder stijgt de kans steeds
       meer dat je die geluidsdruk vaker en langduriger zult
       tegenkomen.
       
       Hou ook in gedachten dat we immers niet proberen te berekenen
       hoeveel vermogen we exact nodig zullen hebben. We maken een
       begroting voor het vermogen en dat zal dus hoger uitkomen dan
       wat we ooit nodig hopen te hebben. Het advies blijft dus om
       zoveel mogelijk 99 dB in te vullen als gewenste geluidsdruk voor
       de berekening van het versterkervermogen.
       
       Naar welke versterker moet je nu zoeken?
       Als je weet hoeveel vermogen vereist is in de minimumimpedantie
       van de luidspreker, dan krijg je met de formule of de tabel een
       getal terug dat niet altijd netjes overeenkomt met een
       versterkervermogenspecificatie. Zo zul je bijvoorbeeld zien dat
       je voor een B&W 685 en 99 dB op 3 m afstand maximaal 247 W in
       3,7 Ω nodig hebt. Rond dat naar boven af naar het
       eerstvolgend op de markt beschikbaar versterkervermogen. Dat zou
       250 W in 4 Ω zijn. Versterkervermogens worden echter vaak
       geadverteerd in 8 Ω. Je moet minstens het vermogen in de
       minimumimpedantie halen, dan heb je genoeg ongeacht wat de
       versterkerfabrikant bij 8 Ω opgeeft. Voor een versterker
       van 250 W in 4 Ω zou een vermogen tussen 125 en 150 W in 8
       Ω opgegeven kunnen staan. Als er 125 W in 8 Ω en 250 W
       in 4 Ω staat, is de versterker een zogenaamde verdubbelaar.
       Die hebben de beste voedingen aan boord. Maar een versterker die
       niet verdubbelt is ook prima hoor, zolang hij maar het vereiste
       vermogen in de minimumimpedantie van de luidspreker kan leveren.
       Genoeg vermogen is genoeg vermogen, ongeacht hoe de versterker
       dat bereikt. Als je luidsprekers hebt die tijdens hun werking
       allerlei fasedraaiingen vereisen (zoals elektrostaten), moet je
       versterker dit natuurlijk ook aankunnen. De meeste
       versterkerfabrikanten vermelden dit niet, dus kijk je best of
       andere mensen succes gehad hebben met jouw soort luidsprekers op
       de versterkers die je interesseren en die genoeg vermogen
       hebben. Van de versterkers die nu overblijven, onderzoek je de
       specificaties. Als iets onduidelijk is, contacteer dan de
       importeur of desnoods de fabrikant zelf. Geldt het
       frequentiebereik van de versterker voor heel weinig tot het
       maximum vermogen? Geldt het opgegeven vervormingscijfer ook voor
       het hele frequentiebereik en op alle vermogens tot maximum? Is
       dat vervormingscijfer dan kleiner dan één tiende procent? Is het
       frequentiebereik minstens van 2 Hz tot 50 kHz (eventueel met
       lichte afwijkingen, hooguit ± 3 dB, hoe minder hoe beter)?
       Elimineer alle versterkers die niet hieraan voldoen. Eentje die
       20 Hz tot 20 kHz ± 3 dB doet, is echt niet meer van deze tijd!
       Van de versterkers die nu overblijven, probeer je elk toestel in
       huis te halen zodat je het kunt beoordelen. Als een versterker
       stoorgeluiden blijkt te produceren (brom of ruis), vraag dan
       meteen een ander. Krijg je er geen of doet de tweede hetzelfde,
       elimineer hem. Beluister de aldus overblijvende versterkers op
       je gemak in je eigen luisterruimte en met je eigen favoriete
       muziek en kies degene die je het meest bevalt qua klank en qua
       uiterlijk. Luister of de versterker op zeer lage volumes alles
       correct weergeeft zonder enige storing en luister of hij dat ook
       kan als je zeer luid speelt.
       
       Kan het ook met minder?
       
       Als je zoekt naar een versterker die het berekende vermogen kan
       leveren in de minimumimpedantie van de luidspreker, bijvoorbeeld
       250W in 4 Ω voor een B&W 685 of minstens 150 W in 4 Ω
       voor een B&W 683 of 684, dan lijkt dat soms hoog. En duur. Een
       versterker die minder dan dit biedt, zou je kunnen
       teleurstellen. Niet als je altijd heel zacht speelt, maar wel
       als het volume flink omhoog gaat. Wat versterkers betreft, koop
       je beter een te krachtige versterker dan een die ondermaats is.
       Die ondermaatse kan, als hij gaat clippen, je luidsprekers kapot
       spelen. Met een te krachtige versterker zal je dat nooit
       overkomen.
       Niet alle luidsprekers hebben honderden Watts nodig.
       Hoogrendemente luidsprekers komen met weinig toe. Een Klipsch
       Palladium p-37f, bijvoorbeeld, heeft een gevoeligheid van 96 dB
       / 2,83 V / 1 m, een gemiddelde impedantie van 4 Ω en een
       minimumimpedantie van 2 Ω. Dat vereist slechts 38 W in 4
       Ω en 76 W in 2 Ω om 99 dB op 3 m afstand te halen. Een
       versterker van 25 W in 8 Ω, 50 W in 4 Ω en 100 W in 2
       Ω stuurt deze luidsprekers dus perfect aan. Let wel: die
       100 W in 2 Ω is het belangrijkste! Een gewone goedkope
       versterker van 30 of 40 W zou dus niet goed presteren met zo'n
       Klipsch!
       
       Waarom is die minimumimpedantie zo belangrijk?
       
       Dat is de laagste wisselstroomweerstand die je luidsprekers aan
       de versterker zullen presenteren. Die zal van de versterker het
       meeste stroom vragen. Die minimumimpedantie kan bij slechts één
       frequentie voorkomen (meestal een basfrequentie), maar het
       kunnen er ook meerdere zijn. En deze frequentie hoeft ook niet
       superlaag te zijn. Er zijn genoeg luidsprekers op de markt die
       hun minimumimpedantie bereiken ergens tussen 60 en 80 Hz (en dat
       komt heel erg vaak voor in muziek). Er kunnen daarnaast meerdere
       punten in de frequentiecurve voorkomen waarop de impedantie dat
       minimum benadert. Om zeker te zijn dat je versterker deze
       impedantiewisselingen perfect kan volgen, moet hij die laagste
       impedanties van je luidspreker goed en met marge kunnen
       ondersteunen. Als de fabrikant opgeeft hoeveel Watt de
       versterker kan produceren in een impedantie in de buurt van dat
       minimum van je luidsprekers, heb je een gegeven waarmee je
       verder kunt. Als de versterkerfabrikant niets opgeeft (hij geeft
       bijvoorbeeld een aantal W in 4 Ω op, maar niets onder 4
       Ω terwijl je luidsprekers zakken tot of onder 2 Ω),
       dan is het een gok. Als de versterker een royale voeding heeft
       en dus zwaar is, zal de kans groter zijn dat hij dit toch
       aankan. Om zeker te zijn moet je het dan gewoon uitproberen. Een
       zogenaamde verdubbelaar (een versterker die in 4 Ω exact
       het dubbel vermogen kan leveren van wat opgegeven staat voor 8
       Ω) heeft de beste voeding en, zeker als die ook nog zwaar
       is, de grootste kans om een ruime marge onder 4 Ω aan te
       kunnen. De beste versterkers hebben een vermogensspecificatie in
       8 Ω, het dubbel daarvan in 4 Ω, nog eens het dubbel
       daarvan in 2 Ω en de allerbeste doen dan nog eens het
       dubbel in 1 Ω. Daarmee kun je dan zowat alles aansturen!
       
       Hoe zit het met stroomsterkte (Ampères)?
       
       Een versterker die veel vermogen in de lagere impedanties kan
       leveren, biedt noodzakelijkerwijze een grote stroomsterkte aan.
       Een merk dat reclame maakt met Ampères moet er ook bij vermelden
       aan welke maximumspanning die maximumstroom geleverd kan worden:
       dan pas weet je welk het vermogen is dat geleverd kan worden en
       in welke impedantie. Of ze moeten vermelden bij welke
       minimumimpedantie dat maximumvermogen geleverd kan worden. Ook
       dan heb je alle benodigde informatie. Als een versterkerbouwer
       zegt dat een bepaald model in staat is 35 A af te leveren, dan
       weet je niet veel. Theoretisch komt dat overeen met 1200 W in 1
       Ω, maar deze uitgangsstroomsterkte werd bijvoorbeeld
       opgegeven voor een Harman Kardon Signature 1.5 eindversterker
       (2x200W/8Ω en 2x325W/4Ω, maar niets opgegeven voor
       lagere impedanties). Dan is die 35 A dus nietszeggend want voor
       de opgegeven vermogens kom je daar nooit aan (respectievelijk 5
       en 9 A). Je zou dus denken dat die 35 A betekent dat de Harman
       Kardon behoorlijk wat reserve aan boord heeft voor lagere
       impedanties. Maar ik heb er zelf eens een 1 Ω belasting aan
       gehangen en toen vloog hij in beveiliging. Die 35 A kan dus
       alleen slaan op het piekvermogen. Maar bij 4 Ω zouden we
       dan aan 4.900 W zitten! Dat kan dus ook niet kloppen. De
       specificatie van Harman Kardon is dus nietszeggend en dient dus
       met grote waarschijnlijkheid alleen voor de marketing. De
       fabrikant moet er echt bij zeggen dat de opgegeven stroomsterkte
       geldt voor elke impedantie tot vrijwel kortsluiting, dan is dat
       een heel ander paar mouwen. Zo'n versterker willen we dan zeker
       hebben.
       Als een andere versterkerbouwer zegt dat zijn versterker 1200 W
       in 1 Ω kan leveren, dan weet je vanaf het begin wel meer.
       1200 W in 1 Ω betekent immers, vermits P = I²∙R en I
       = √(P/R) dat dat zo'n 34,6 A vereist (en ook zo'n 34,6 V).
       Stroomsterkte en vermogen hangen dus samen.
       
       Hoe zit het met buizenversterkers? Die geven in elke impedantie
       hetzelfde vermogen op!
       
       Een buizenversterker van 50 W is evenwaardig aan een
       transistorversterker van 50 W als er in beide gevallen een
       keurige 8 Ω belasting aangehangen wordt. Als de aangesloten
       belasting gaat dalen, dan zorgt de uitgangstrafo van de
       buizenversterker ervoor dat die lagere belasting nog steeds
       keurig gevoed kan worden. Bij een transistorversterker moet de
       voeding genoeg vermogen in de eindtrappen kunnen leveren voor
       die lagere belastingen en als die voeding niet sterk genoeg is,
       klapt de weergave ineen. Dat laatste is vaak inderdaad het geval
       en heus niet alleen bij de goedkoopste versterkers.
       Merk wel op dat zo'n buizenversterker van 2x 50 W vele malen
       duurder is dan vrijwel eender welke transistorversterker van 2x
       50 W. Als je een transistorversterker van dezelfde prijs als die
       buizenversterker neemt, vind je er ook wel een die de lagere
       impedanties keurig aankan hoor.
       
       Het Amerikaanse versterkermerk McIntosh maakt
       transistorversterkers met een uitgangstrafo net voor de
       luidsprekeraansluitingen. Daardoor geeft dat merk, net als bij
       een buizenversterker, in elke impedantie hetzelfde vermogen op.
       Ook hier moet je dus gewoon letten of het opgegeven vermogen zou
       volstaan in de minimumimpedantie van de luidspreker. In het
       geval van McIntosh zul je zo'n versterker beslist moeten
       uitproberen om te weten of hij het effectief goed doet met je
       luidsprekers. Het is bijna onmogelijk om dat aan de weet te
       komen puur op basis van de vermogensspecificaties van McIntosh
       omdat ze meestal erg karig daarmee zijn.
       
       Hoe zit die formule nu ineen?
       
       We vertrekken van de door de fabrikant opgegeven
       luidsprekergevoeligheid. Die definieert welke geluidsdruk de
       luidspreker genereert op 1 m afstand als je 2,83 V aan de ingang
       zou invoeren. Dat komt overeen met 1 W voor een 8
       Ω-luidspreker en 2 W voor een 4 Ω-luidspreker. We
       veronderstellen voor de formule en de berekening 8 Ω en 1 W
       voor de gevoeligheid en corrigeren dat later voor de juiste
       impedantie. De formule berekent dan welke vermogensstijging je
       nodig zou hebben voor de gewenste geluidsdruk op de
       luisterafstand ten opzichte van die opgegeven
       luidsprekergevoeligheid. Eigenlijk berekent de formule welke de
       vereiste geluidsdrukcompensatie vanaf de luidsprekergevoeligheid
       op 1 m en die zetten we dan om naar een vereist vermogen.
       
       P = 8/Z∙10(L-S+20∙log D)/10
       
       Uiteraard speelt hier de gewenste geluidsdruk een belangrijke
       rol. We berekenen eerst het verschil in geluidsdruk tussen
       gewenst en geleverd op 1 W op 1 m afstand. Dat verschil geeft
       dus aan hoeveel meer (of minder) geluidsdruk vereist is om dat
       verschil te compenseren. Vandaar L-S: gewenste geluidsdruk -
       opgegeven geluidsdruk bij 1 W en 1 m. Als we 99 dB wensen maar
       88 dB gevoeligheid opgegeven is, moeten we dus compenseren voor
       11 dB geluidsdrukstijging op 1 m.
       Daarnaast speelt uiteraard ook de luisterafstand een cruciale
       rol. Als we ons verder verwijderen dan de opgeven afstand van 1
       m, moeten we ook voor die afstand compenseren. We weten dat de
       geluidsdruk invers proportioneel is met de afstand: p ~ 1/r. We
       weten dus dat een verdubbeling van de afstand een
       geluidsdrukvermindering van ca. 6 dB tot gevolg heeft.
       De geluidsdrukdaling voor een afstand van D meter is
       20∙log D. Als de afstand verdubbelt ten opzichte van de
       oorspronkelijke 1 m, krijg je dus een geluidsdrukdaling van
       20∙log 2 = 6,02 dB. Verdubbelt de afstand nogmaals, krijg
       je een daling van 12,04 dB (20∙log 4). Bijgevolg wordt de
       totale geluidsdrukcompensatie: gewenst - opgegeven +
       afstandsbepaald of L-S+20∙log D.
       
       Voor 99 dB gewenst, 88 dB luidsprekergevoeligheid en 2,4 meter
       afstand is dat dus 99 - 88 + 20 ∙ log 2,4 = 18,6 dB meer
       geluidsdruk dan het origineel opgegeven door de
       luidsprekerfabrikant! Om dat om te rekenen naar vermogen in Watt
       gebruiken we 10p/10, waarbij p de geluidsdrukcompensatie in dB
       is. Voor die 18,6 dB extra ten opzichte van de 1 W die de
       luidsprekerfabrikant in zijn gevoeligheidsspecificatie opgeeft,
       heb je dus 1018,6/10 of 72,44 W extra nodig.
       
       Vermits dit het verschil ten opzichte van de 1 W in 8 Ω van
       de oorspronkelijke luidsprekergevoeligheid opgeeft, is de
       vermogensstijging van 72,44 W uiteraard ook alleen geldig voor 8
       Ω. Wil je weten welk vermogen je nodig hebt in een andere
       impedantie (zoals de gemiddelde of de minimumimpedantie Z van de
       luidspreker), dan moet P1 = U²/8 en P2 = U²/Z dus P2 =
       8/Z∙P1. Een vermogen van 72,44 W in 8 Ω wordt dus
       geheel volgens deze natuurkundige wetten 193,18 W in 3 Ω.
       Dat ronden we dan af naar praktische versterkervermogens van 80
       W in 8 Ω en 160 W in 4 Ω (en de versterker moet dan
       een ruime marge onder 4 Ω hebben).
       
       Dat was het!
       *****************************************************
       Page 1 of 1