URI:
   DIR Return Create A Forum - Home
       ---------------------------------------------------------
       God is in us
  HTML https://godisinus.createaforum.com
       ---------------------------------------------------------
       *****************************************************
   DIR Return to: Wat staat er in de bijbel
       *****************************************************
       #Post#: 189--------------------------------------------------
       De bergrede
       By: Glorious Date: April 14, 2019, 6:31 am
       ---------------------------------------------------------
       Bij alles wat je doet werkt een engel door je heen wat in je
       horoscoop staat.
       Daarom zijn er verschillende talenten.
       TEgen werking bestaat ook.
       Dus de eer komt god toe en nooit een mens.
       Mensen kunnen niks.
       Zo merk je dat als het tegen zit.
       Zit alles mee dan worden mensen opnieuw arrogant.
       Hoe zit het dus met een selectie van God?
       Dit zijn de mensen die gevoed worden.
       Maar Dan laat God ze vallen. Dan heet God Satan.
       Hoe vinden we de juiste weg?
       Dat zijn de tien deugden.
       En dat geloofd niemand.
       Zo is er de berg rede;
       Mattheüs 5
       « Mattheüs 4 | Mattheüs 6 »
       snelkiezer
       met kanttekeningen
       1 En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als
       Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
       schilderij van Fra Angelico: De bergrede
       » meer
       2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
       3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk
       der hemelen.
       4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
       5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk
       beërven.
       6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want
       zij zullen verzadigd worden.
       7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid
       geschieden.
       8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
       9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen
       genaamd worden.
       10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want
       hunner is het Koninkrijk der hemelen.
       11 Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en
       liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.
       12 Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen;
       want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest
       zijn.
       13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos
       wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer
       toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te
       worden.
       14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg
       liggende, kan niet verborgen zijn.
       15 Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een
       koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in
       het huis zijn;
       16 Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede
       werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is,
       verheerlijken.
       17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te
       ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te
       vervullen.
       18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde
       voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet
       voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
       19 Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de
       mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden
       in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en
       geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk
       der hemelen.
       20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan
       der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk
       der hemelen geenszins zult ingaan.
       21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet
       doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het
       gericht.
       22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is,
       die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder
       zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar
       wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
       23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar
       gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
       24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u
       eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
       25 Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij
       nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien
       u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar
       overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.
       26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat
       gij den laatsten penning zult betaald hebben.
       27 Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen
       overspel doen.
       28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te
       begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.
       29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt
       het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet
       uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
       30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze
       van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw
       gehele lichaam in de hel geworpen worde.
       31 Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve
       haar een scheidbrief.
       32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan
       uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en
       zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.
       33 Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij
       zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden
       houden.
       34 Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel,
       omdat hij is de troon Gods;
       35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten;
       noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;
       36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar
       kunt wit of zwart maken;
       37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze
       is, dat is uit den boze.
       38 Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
       39 Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie
       u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
       40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook
       den mantel;
       41 En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee
       mijlen.
       42 Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van
       dengene, die van u lenen wil.
       43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste
       liefhebben, en uw vijand zult gij haten.
       44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u
       vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor
       degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;
       45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen
       is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en
       regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
       46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt
       gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?
       47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven
       anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
       48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de
       hemelen is, volmaakt is.
  HTML https://www.statenvertaling.net/bijbel/matt/5.html
       *****************************************************